Rene's Webstek | rvu.be  

Main Menu
Home
Zeilen
Paul Vinck
Staf Versluys
Radio Amateurs
Vespa
Links
- - - - - - -
Contact
Gastenboek

Met de Sea Beggar naar Canada
Geschreven door Rene   
zaterdag 01 juli 2006
In 1955, tijdens mijn drie dagen in het Klein Kasteeltje te Brussel leerde ik de Bruggeling Willy Vancaillie kennen.

Midden 1956, na een opleiding tot infanterist in Braschaat, ontmoette ik hem opnieuw in de transmissieschool van Vilvoorde. Hij was er een paar dagen vroeger aangekomen en dus tot kameroverste gepromoveerd. Na een snelle en niet zo gemakkelijke cursus elektronica splitsten onze wegen opnieuw. Willy werd overgeplaatst naar de luchtafweer in Lombardsijde en ik naar de atelier van de 6TTR Radio Maintenance in Schloss Bensberg nabij Keulen. Omdat in de RM al een René was kreeg ik de naam "den Toon".

Lang heb ik het in het leger niet uitgehouden. Enkele jaren nadat de 6e naar Arnsberg verhuisde ging ik van de klas en opende een Radio en TV winkel in Oostende. Tijdens de opendeurdagen van een Nederlandse elektronica reus liep ik Willy tegen het lijf Als dat geen toeval was, hij had in Brugge ook een Radio en TV zaak geopend. Hij was ondertussen getrouwd en had drie zonen en een dochter. Nee, ik had niet afgekeken, ik was ook getrouwd en op mijn trouwboek stonden ook drie zonen en een dochter.

Nadat ik in 1975 radioamateur werd en met mijn zendinstallatie een algemene oproep deed om via de radiogolven een babbel te maken, kreeg ik antwoord van een Brugse radioamateur die voor zaken in Zaïre was. Juist het was Willy!

Zeezeilen is mijn passie, dat wij elkaar op het water ooit eens zouden ontmoeten was achteraf bekeken maar een kwestie van tijd. Met zoveel gemeenschappelijke raakpunten was dit onafwendbaar. Op het einde van de vakantie 1992 zag ik hem in de jachthaven van Breskens.<De Were Weg onder spi> Toch een kleine variante: Willy had een kast van een motorboot en ik een middelmatige zeilboot. Zijn Congolese periode zal daar wel iets mee te maken gehad hebben. 's Avonds na een etentje in het restaurant van de club, nippend aan een afzakkertje, vroeg hij of ik interesse had om een bootreis naar Canada te maken. Niet rechtstreeks maar langs de Faeröer eilanden, IJsland en Groenland. Over de St. Lawrence rivier voorbij Quebec met eindbestemming Montreal.

Iets durven, iets riskeren is mij aangeboren. Zowel in mijn beroep als in mijn hobby's had ik een drang naar het onbekende, misschien zelfs een beetje zucht naar avontuur. Ergens in mijn achterhoofd, in een klein afgelegen hersencelletje, droomde ik al jaren om met een boot achter de kim te varen. Geen nieuwe ontdekkingen doen maar plaatsen bezoeken die ik nog nooit gezien had. Liefst wat moeilijker te bereiken plekjes waar niet elke pleziervaarder vocht voor een ligplaats. Bijgevolg sprak een bootreis naar Canada mij wel aan.

Als zakenman had ik altijd een nuchtere kijk op al te mooie voorstellen die mij door vertegenwoordigers aanboden werden daarom stelde ik mij nu ook enkele vragen. Wat zou mijn Penelope denken als haar Odysseus voor enkele maanden Were-Weg was om over de Atlantische Oceaan te gaan zwerven? Toen ik haar vertelde dat, als ik met pensioen was, een bootreis naar Canada wilde maken antwoordde zij: "Ja dat is goed, dat moet je zeker doen". Ik stond perplex, zomaar "ja" zonder tegenpruttelen? Voor alle zekerheid stelde ik haar voor om eens naar de Sea Beggar te gaan kijken. Na een visuele inspectie bleef zij bij haar standpunt. "voor wanneer is het vertrek voorzien?"

Nu mijn echtgenote voor 100 % achter deze trip stond drong het bij mij door dat de beslissing om de Atlantische Oceaan over te steken bij mij lag. Over de boot wist ik weinig, eveneens over Willy die ik als watersporter niet zo goed kende. Is dit wild idee geen utopie? Is een reis langs IJsland en Groenland met een boot van nog geen 15 meter lengte geen kamikazetocht? Met een papyrus vlot, een roeiboot en een vrachtwagen werd de overtocht van de oceaan reeds gedaan, waarom zouden wij het met een comfortabele stalen motorboot van bijna 15 meter niet kunnen doen? Dat wij met zijn tweeën de overtocht zouden wagen leek mij toch wat te riskant. Stel je voor dat een van ons viel en iets brak of door ziekte tijdelijk buiten dienst was. Omdat Willy en ik aangaande lekker eten weer dezelfde ideeën hadden werd uitgekeken naar een derde man met zeebenen en bovendien een grondige kennis van koken.

Eind 1996 tijdens het bal ter gelenheid van het afsluiten van het vaarsiezoen in de jachtclub zat Bep Bothmer naast mij. Zij vertelde dat haar echtgenoot, Henk, van de zeilboot "National Devil" met zichzelf geen raad wist. Hij had na 40 jaar hard werken zijn restaurant in Roermond overgelaten, had nu niks meer te doen en liep de hele dag door het appartement te ijsberen. "Dat het maar vlug zomer wordt dat hij kon gaan varen! Ik vroeg of het iets voor hem zou zijn om naar Canada mee te varen? 'Ja hoor, als het minstens zes maand duurde en zij zelf niet mee moest' was haar antwoord. Met Henk die een enorm zeilpalmares had waarop meerdere malen de Fastnet en Cowes-Dinard prijkten zag ik geen problemen om de oversteek te wagen.

HET KLIMAAT Uit het Engelse boek uitgegeven door de Pilotage Foundation haalde ik volgende klimatologische beschrijving van IJsland. In het Engels klonk het nog redelijk maar na vertaling bleek dat het weer daar op dat Noordelijk eiland maar bar en boos was. Geen wonder dat er in vakantiebrochures weinig of niets over IJsland te vinden is. De Irminger Current, een uitloper van de West Wind Drift, vloeit in uurwerkzin rond het eiland en maakt het klimaat betrekkelijk warm voor deze breedte. De temperatuur in de zomer is naar onze normen, eerder aan de koele kant, gemiddeld 12° ­tot 14°, maar het kan er op warme dagen toch oplopen tot over de 20°, In het westen regent het één dag op twee. In het oosten is het stukken beter, daar krijg je maar een fikse regenbui om de drie dagen.

Over het algemeen waait het in juli en augustus niet zo erg hard, maar in de nabijheid van de kust kunnen plots valwinden ontstaan, gelukkig van korte duur, Het is de zeilers dan ook aangeraden om het zeiloppervlak te reven alsof er 1 Beaufort meer wind zou staan. In de zomermaanden wordt geleidelijk de warme(?) Westelijke wind verdreven door de verfrissende Oostelijke. Met storm moet terdege rekening gehouden worden want in juli en augustus komen deze gemiddeld twee keer per maand voor, voornamelijk aan de oostkust. Het is vandaag dinsdag 20 mei dus vijf dagen voor de afvaart. Sedert een poosje volg ik al de weerberichten op IJsland. Er is iets mis want het stormde er al zes keer in vier dagen. Mist is er geen toeval, zeer verraderlijk en komt gemiddeld acht dagen per zomermaand voor, opnieuw is het in het oosten slechter dan in het westen. De East Greenland Current brengt soms pakijs naar de noordkust van IJsland, maar zelden komt dit ijs in de fjorden voor. IJsbergen en gletsjerijs zullen wij moeten missen. Opmerkelijk zijn de lichten van de bakens gedurende de zomermaanden gedoofd omdat het, door de middernachtzon, 's nachts niet donker wordt. We zullen elkaars bange gezicht dus ook 's nachts kunnen zien.

Als kledij wordt warm ondergoed, sokken, rubberen laarzen en oliegoed sterk aangeraden. Waarmee wij dus terdege rekening zullen houden! ! ! Hopelijk krijgen wij toch een beetje mooi weer zodat het bruin tintje, dat we kregen tijdens de oefenregatta's van de Ryco, niet helemaal wegregent. Ik droomde wel eens van een tropisch eiland in de zon met blauw water, witgeel strand en paradijsvogels in de groene palmbomen waarvan de bladeren lichtjes bewogen door een zwoel briesje. Niks daarvan, een trip naar mijn gedroomd Coconuteiland was blijkbaar niet voor deze keer.

EINDELIJK MET PENSIOEN Blij draaide ik op oudejaarsavond, 31 december 1996, voor de laatste keer de sleutel in het slot van de winkeldeur. Een heel stuk van mijn leven, 32 jaar opende en sloot ik de elektrozaak. Vanaf nu hoefde dat niet meer. De volgende keer zou mijn winkel geopend worden door iemand anders. Ik was met pensioen. Vanwege mijn functie in de Verenigde Handelaarsbonden van Oostende had ik nog eerst een enquête af te werken en een persconferentie voor te bereiden.

Ook namen de formaliteiten in verband met de overname van de winkel, meer tijd in beslag dan ik vermoedde. Er schoot weinig tijd over voor een serieuze voorbereiding van onze trip naar Canada. De voorziene praktische tests van de boot in de Noordzee bij zwaar weer zijn niet doorgegaan, iets wat ik me later in IJsland zou beklagen. Om in elk land miserie met vreemd geld te vermijden schafte ik mij een Visa en een Master Card aan. Mijn reispas was verlopen, dus ik met drie foto's naar het gemeentehuis. "A.u.b. mijnheer recente foto's, niet van je plechtige communie". Gelukkig hebben de fotografen materiaal waarmee in geen tijd een afbeelding van je tronie op papier gezet wordt.

DE REIS Zondag 25 mei 1997 werd de grote dag niet alleen voor Nathalie mijn kleindochter die haar eerste communie deed, maar ook voor ons. Drie gepensioneerden, Willy Vancaillie, Henk Bothmer en ikzelf zouden wild enthousiast zoals kleine jongens op avontuur vertrekken.

Na de zondagse apperitief plande ik de afvaart van de Sea Beggar voor de eerste etappe van Oostende naar Aberdeen. Het was een drukte in het clubhuis van de Ryco, familie en kennissen kwamen afscheid nemen. Velen hadden een geschenk mee zoals wijn en champanje. Mijn schoonzoon Christophe, de scheepskok, bezorgde ons een zak aardappelen die ons goed van pas kwam. Sommige vriendendeugnieten vonden het nodig om snel nog een lugubere opmerking te maken zoals: "Krijg ik je nieuwe zeiljas als je niet terugkomt", of "René, ik vind het fijn dat ik nog op het laatste moment met je kennis heb kunnen maken ". Jenny de secretaresse van de jachtclub had ook geen goed oog in onze onderneming want zij vroeg "René, wil je de tekst voor het clubblaadje Ryco-News vóór het vertrek geven, je weet maar nooit! ". Erg aanmoedigend klonken deze opmerkingen niet. Het zal wel niet zo bedoeld geweest zijn. Ik meende bij sommige zelfs een lichte jaloerse ondertoon waar te nemen.

Om half twee startte Willy de motor. Henk en ik gooiden de trossen los. Het werd me week rond het hart toen de sirenes van de boten loeiden en iedereen ons nawuifde van op de pontons.

Niettegenstaande er een pittig briesje stond begeleidden ons een tiental boten naar zee. Ter hoogte van de WK 7 voor De Haan waren wij alleen. Om de vier uur, volgens een beurtrol, wisselden wij elkaar op de brug af. Vanwege de vele goede Britse zeekaarten die aan boord waren besloten wij om op VHF radio afstand, 10 -20 mijl, langs de Engelse kust naar Aberdeen te varen. Bij onvoorziene problemen was een veilige haven nooit veraf. Bovendien stonden verder in zee honderden boorplatforms waardoor we regelmatig van koers moesten veranderen. De eerste dag had de schipper, met een wind van 6 Beaufort, last van zeeziekte. Regelmatig vloog hij naar de reling om zijn maag te ledigen. De reling was nogal laag, ik vreesde dat hij met die zeegang toch eens overboord zou vallen. Ik stelde voor om 's nachts voor de veiligheid een touw aan zijn been te binden. Droog komisch antwoordde hij "niet aan mijn been maar aan mijn nek. Als in het water val zou ik zou kunnen verdrinken". Op een hobbelig zeetje was het moeilijk om in een echt bed te slapen. De uiteinden van lakens en dekens mochten nog zo goed onder de matras gestopt zijn, vast lag je nooit. Om niet uit bed te rollen moesten wij op de rug slapen, de armen en benen gespreid. Toch werden wij soms wakker met de voeten op het hoofdkussen. De boot was uitgerust met een plotter, dit is een computer met daarin een groot aantal elektronische kaarten van het vaargebied, waarop wij met behulp van een GPS de boot op het scherm zagen vorderen. Op instelbare tijdstippen werden de gegevens in een geheugen opgeslagen. Op het kleine scherm was een goed overzicht van de zeekaart niet zo eenvoudig. Bovendien hadden Henk en ik niet zoveel vertrouwen in de kwetsbare elektronica aan boord. Wij zetten om de twee uur de positie op de papieren zeekaarten. Mijn scheerapparaat haalde op de statische omvormer niet het gewenste toerental zodat ik mij niet fatsoenlijk kon scheren. Ik besloot voor de reis mijn baard te laten groeien.

Telkens als Henk uit de keuken kwam stonden er grote zweetdruppels op zijn voorhoofd. " Met zulke zeegang is het beneden niet lang uit te houden " was zijn uitleg. Toen ik antwoordde dat ik voor de rest van de overtocht de afwas wel zou doen klaarde zijn gezicht op. Ik verdenk Henk ervan, dat hij om mijn medelijden op te wekken, expres zijn voorhoofd met water besprenkelde. Ik heb dit nooit laten uitschijnen omdat het zeer belangrijk is om bij de kok op een goed blaadje te staan. Het goede resultaat bleef niet uit, sedertdien kreeg ik altijd de grootste biefstukken.

Via de kortegolfzender werden de eerste contacten gemaakt met radioamateurs uit heel de wereld. Toen ik hen vertelde wat wij van plan waren beloofden de meeste regelmatig stand-by te zijn en ons op een wereldkaart te volgen. Er werd mij aangeraden om de radio-installatie na te zien omdat mijn zendsignaal soms uitviel. Daags na het vertrek steeg de barometer. Volle zon, geen wind, plat water, ideaal vaarweer.

De boot liep als een trein, maar vloog soms uit de bocht volgens Henk. Dit laatste was de voorbode van een fout aan de Autohelm Enkele uren later viel de automatische stuurinrichting volledig uit. Op een klein kompas en met het stuurwiel in de hand werd de reis verder gezet. Woensdag 28 mei om 12 uur, na ruim 70 uur varen bereikten, wij de drukke Schotse haven Aberdeen. In de vele dokken werden de sleepboten en kabelleggers onderhouden of hersteld die bedrijvig waren in de olievelden op de Noordzee.

Bij gebrek aan een jachthaven verwees de portcontrol ons naar een ro-ro aanlegsteiger van Euro-Link in de Albertbassin naast een witte tweemaster. Het was een Zweedse Colin Archer die veel weg had van het jacht van de graaf van Bieland, de Emily Mary , die jaren lang in de Ryco lag. Drie baardige mannen in een slordige grote luxueuze boot scheen voor de douane toch wat verdacht " Of wij soms bezwaar hadden als de narcotica brigade aan boord kwam ". Zelfs een echte drugshond kwam er aan te pas, die meer interesse vertoonde voor de schapenkoteletjes die Henk voor het middagmaal serveerde. Blaffend en kwispelend liep het beest rond de tafel, terwijl de mannen veel belangstelling vertoonden voor de fles Cabernet Sauvingon .

Volgens Willy werkte de automatische besturing niet omdat het fluxkompas defect was. Gelukkig was er langs de kaai een dealer die reserve onderdelen in voorraad had. Na vervanging van het elektronische binnenwerk van het kompas, dat aan de mast bevestigd was, scheen alles naar behoren te werken. Ook de zender werd onder handen genomen en een slecht contact in de antenne-tuner verholpen.

Wij lagen afgemeerd voor het gebouw van de Coast Guard. Een bezoek aan hen bezorgde ons een hele boel nuttige informatie aangaande frequenties waarop we weerkaarten en ijsberichten konden ontvangen.

Zelfs kregen we een boekje met foto's van een reddingsoperatie, hoe iemand hangend aan een staalkabel van een boot geëvacueerd werd. Ook werd ons verteld dat wij tijdens de overtocht regelmatig de Coast Guard van de Faeröer eilanden, IJsland en Groenland moesten oproepen. Zij waren reeds op de hoogte gebracht van onze komst en wilden ons voor alle veiligheid over het hele traject tot in Canada volgen. Kort voor we vertrokken moesten we maar even langs komen voor een recente météo voor het gebied waar we heen wilden. Omdat het prachtige weer nog minstens drie dagen zou aanhouden besloten wij onmiddellijk te vertrekken naar Tórshavn op de Faeröer eilanden.

De automatische besturing heeft niet lang gewerkt, enkele mijlen buiten de haven viel het systeem weer uit. Vanwege het goede weerbericht besloot de schipper geen tijd te verliezen door terug te varen. Ik was akkoord omdat het sturen met kalme zee toch geen problemen gaf. Henk had liever dat alles in orde was voor we vertrokken. Jammer dat wij zijn raad niet gevolgd hebben. Want tijdens de reis hebben wij verder geen enkele firma gevonden die voor het opsporen van de fout de nodige technische gegevens had. Voor mezelf, als technicus, vind ik het onvergeeflijk dat door een slecht functionerend relais wij anderhalve maand, dag en nacht, aan het stuurwiel moesten draaien.

Langs de Schotse kust hebben wij, voor de boeg op een afstand van vijftig meter, de eerste walvis gezien. Ook vier dolfijnen die ons waarschijnlijk vanwege het motorgeronk niet lang vergezelden. Ons Ryco lid Raymond Deckmijn een oude IJslandvaarder had me, tijdens een zondagse aperitief, de raad gegeven om niet door het kleine gat, tussen Noord-Schotland en de Orkney eilanden, de Atlantische Oceaan in te varen. Volgens hem stond daar in de nauwe doorgang, tussen de honderd meter hoge rotsen een ongelooflijk slechte zee. Zijn wijze raad volgend zijn wij niet doorheen de Pentland Firth maar tussen de Orkney eilanden en Fair Isle gevaren. Zodoende hebben wij de overgang van de Noordzee naar de Atlantische Oceaan bijna niet gemerkt. Op vrijdag 30 mei om 7 uur 's morgens rondde de Sea Beggar de vuurtoren van North Ronaldseay. De grote plas lag voor ons. Trage deining met lange brede golven, zo groot als een voetbalveld gaven de boot een onaangename beweging. Laag over het water scherende meeuwen verdwenen achter de golven om honderd meter verder weer te voorschijn te komen.

Ik wist niet dat Jannen van Gent (wat is het meervoud van een Jan van Gent?) zulke sportieve vogels waren. Op een stuk piepschuim kwamen twee jonge exemplaren een steile golf af gesurft. Zeehonden draaiden nieuwsgierig hun driehoekige kop naar de boot om enkele seconden later onder te duiken. Ze verwachtten waarschijnlijk dat wij een vissersboot waren vanwaar iets eetbaars gegooid zou worden. Kleine vogels lijkend, op pinguïns, probeerden ons te verjagen door op het water te trappelen terwijl zij met de vleugels sloegen en een kwetterend geluid maakten.

Toen ze merkten dat ze in hun opzet niet slaagden liepen ze al fladderend, over het water weg. De vogel die mij bijzonder opviel was de papegaaiduiker. Een zwarte vogel zo groot als een kip met pikzwarte veren en vuurrode rode bek en poten. Vanaf Aberdeen tot ver op de Sint Lawrence rivier zagen wij er duizenden. Op de brug had ik een fototoestel klaarliggen. Nooit is het me gelukt om een fatsoenlijke foto te maken van deze schuwe vogel. Henk toverde in zijn keuken op het fornuis, met ceramische platen, de lekkerste gerechten klaar. Voorgerecht, soep, hoofdgerecht, een dessert en koffie.

Wij waanden ons in het restaurant "La cuisine de la fine fourchette". Omdat ik mezelf bevorderd had tot vaatwasser gaf ik Henk de raad bij het tafeldekken niet voor elk gerecht een proper bord klaar te zetten. De twee soorten glazen, één voor rode en één voor witte wijn, drie vorken en twee lepels en een aantal messen vond ik ook wat overdreven. Gelukkig maakte hij nogal royale porties zodat ik als beloning voor de hele afwas, de potten kon uitlikken. De jeansbroek begon me na enkele weken rond mijn buik te spannen.

De honderden radioamateurs werden gedurende de hele reis dagelijks op de hoogte gehouden van onze vordering. De ervaring die ik opdeed door dagelijks met Staf Versluys verbinding te maken toen hij in de Whitbread met de Croky en later met de Rucanor rond de wereld zeilde kwam mij goed van pas. Op het afgesproken uur gaf ik onze positie door met daarbij een rapport over de toestand van de zee en een grappige belevenis van de dag. Via ON4AIM -Aimé uit Bredene, ON6FU -Roland uit Oostende of ON5NC -Charles, de D.J. die regelmatig op een bal in de jachtclub speelde, werd ons bericht dan telefonisch naar een van de drie thuisgebleven vrouwen overgemaakt. Die daarna elkaar opbelden. Om geen moeilijkheden te hebben bij het omrekenen hoe laat het in Europa was liet ik mijn horloge op Belgische zomertijd. Ik had eens contact met een piloot, ON4CFI/AM Ricky uit Kortrijk, die van op 10.000 meter hoogte boven de Zwarte Zee knalhard binnen kwam.Enkele dagen later had ik zelfs een goede verbinding met hem toen hij in Irak op een vliegveld stond.

Op zaterdag 31 mei in de voormiddag bereikten de Sea Beggar de Faeröer eilanden.
Met de Ryco wimpel op de boeg en met de Intocht van de Gladiatoren op de stereo-installatie voeren wij tussen de rotsen die in een lichte mist gehuld waren.
Een kleine vissersboot kwam ons tegemoet, de schipper verwelkomde ons op een sympathieke manier, door zijn handen in elkaar te slaan en zo een handenschuddende beweging te maken.
Om 16 uur meerden wij af in de goed beschutte haven van Tórshavn op Stremoy, een van de 22 eilanden waarvan er maar 17 bewoond zijn.
De stad en de omgeving is te vergelijken met Helgoland. Rode rotsige kust, met op de vruchtbare grond veel gras, dat zelfs op de daken van de fel gekleurde houten huizen groeit. De plotter gaf een verkeerde positie aan, want volgens dit systeem lagen wij niet in de haven maar op een berg.
Omdat de météo stabiel bleef tot het einde van de week zijn wij een beetje hals over kop van de Faroer of Schapen eilanden vertrokken, zonder vers brood of aardappelen. De Coast Guard voorspelde voor het begin een matige bries maar voor het einde van de week een wind van minder dan 2 Beaufort.
Niettegenstaande er maar een hoogteverschil is van 50 cm tussen eb en vloed loopt tussen de eilanden een sterke stroming. Onder normale omstandigheden bedroeg de snelheid van de boot 7 tot 8 knopen, in de zee-engte tussen eilanden Hestur en Sandoy haalden wij er maar 1.8. Uren boksten wij op tegen de stroomversnelling en konden wij genieten van de meeuwen die jacht maakten op de visjes in het onstuimige water.
Toen Henk 's morgens, daags na het vertrek, een Atlantisch breakfast, met aardappelen, worstjes, tomaten, eieren, cervela, erwten en wortelen serveerde voegde hij er aan toe " Hopelijk blijft het binnen "
Bedoelde hij dat wij misschien problemen konden krijgen met de moeilijk verteerbare kost of had hij een voorgevoel van het zware weer .
Het zware ontbijt kwam mooi op tijd, het was het laatste warm eten voor dagen.
De barometer stond al geruime tijd angstwekkend hoog op 1040 mb.
Een eerste daling van 14 mb in 16 uren bezorgde ons een wind van 40 kn of 8 Beaufort met een ruwe zee.
De rolstabilisatoren konden deze zeegang niet meester, de boot slingerde enorm.
De keuken was moeilijk te betreden. In de kasten klonk een hels orkest van potten en pannen die bij elke beweging van de boot tegen elkaar sloegen. De kok had zijn twee handen nodig om zich rechtop te houden. Een warm gerecht klaarmaken was onmogelijk. Soep met boterhammen was de enige kost.
Bij kalm weer werkte de verwarming uitstekend, nu sloegen de golven in de uitlaat. Bij gebrek aan lucht doofde de vlam. Op tweehonderd mijl van de poolcirkel is het zelfs in de zomer verschrikkelijk koud. We bleven in de kleren om te slapen. Ons wassen deden we ook niet.
Op woensdag 4 juni op 40 mijl van IJsland begon de ellende pas goed.
In het zicht van de vulkaan Vatnajokull viel de barometer in 12 uur als een baksteen van 1026 naar 1008. De BBC voorspelde een severe gale voor ons gebied, met windsnelheden van 8 tot 10 Beaufort.
We waren beter eerst richting Hofn op de Oostkust van IJsland gevaren om eventueel met een goede météo direct door te stomen naar Reykjavik. Nu lag de veilige haven van Hofn op 70 mijl aan stuurboord, maar was door het gevaarlijk slingeren van de boot met een Zuid-Westen wind van 8 Beaufort haaks op bakboord, onmogelijk te bereiken.
De storm kwam, met 55 knopen wind recht op de kop.
Als de boot in de golven dook verduisterde het overslaande water de patrijspoorten van de slaapkamer. Het akelig gejank van de draaiende stabilisatoren klonk boven het oorverdovend lawaai als de boot na een golf terug op het water smakte. Toen de brekers als donderslagen op de ruiten beukten hield ik het beneden niet meer uit. Met een bang hart kroop ik op handen en voeten naar de stuurhut.
Het schuim dat van de toppen van de golven weggeblazen werd beperkte het zicht. Het water spoelde over de grote ruiten tot aan de buiskap van de stuurhut. Emmers water spoot door de spleten van het zeildoek op de elektronische instrumenten.
Voor zulk stormweer was de Sea Beggar niet gebouwd. Doorvaren was zelfmoord. Een van de vele grote ruiten zou het zeker begeven en de boot doen vollopen.
Goede raad was duur!
Zonder iets te zeggen nam ik het stuur over van Willy en manoeuvreerde als een gek. Tegen dat de volgende golf kwam lag de boot gedraaid. De Sea Beggar liep langzaam weg, met haar hoge stalen kont naar de storm gekeerd.
Op een zo langzaam mogelijke snelheid, dat de boot nog net te besturen was, gleden wij de steile golven af. Varend met wind en golven mee was er geen buiswater, de ruitenwissers konden de grote ruiten drooghouden. Het uitzicht was adembenemend. Hoge golven liepen met brede witte ruggen en grote snelheid de Sea Beggar voorbij. Zij trokken schuimstrepen van honderden meters lang. Als er een tegen de achtersteven te pletter sloeg versnelde de boot en was het even opletten dat het vaartuig niet dwars kwam te liggen.
Plots merkte ik dat Willy niet meer op het achterdek stond. Mijn hart stond stil. Voor ik alarm kon slaan klauterde hij langs de trap weer aan boord. Op het moment dat hij het deurtje in de achterreling sloot beukte de grootste golf die wij tijdens de hele reis zagen tegen de boot. Het kwam over als een verwittiging van de zeegoden aan Willy om nooit meer zulke domme streek uit te halen. Hij wilde een kapot geslagen plastieken dekseltje recupereren.
Enkele uren later viel de wind voor enige tijd volledig weg om daarna met 47 knopen uit de tegenovergestelde richting te blazen. Met de motor op volle toeren en al surfend op de golven kregen wij na 15 bange uren IJsland weer in zicht.
Wij waren door het oog van de depressie gegaan.
Koude valwinden van 25 tot 30 knopen van de hoge gletsjers veroorzaakten golven en een zijdelingse schommeling waardoor de boot niet op koers te houden was. Op minder dan 100 meter van het eiland hadden wij geen last van deze landwind. Over de goed zichtbare ondieptes slaagden wij erin om richting Reykjavik te varen. Zo zagen wij ook nog iets van het prachtige landschap. Aan de boord van het water op de grillige rotskust prijkten op de gevaarlijkste plaatsen oranjegele vuurtorentjes. Wit is in de sneeuw niet te zien.

Op het strand in de monding van de Hvitá werd op het zwarte lavastrand een vrachtschip gesloopt. Het was tijdens een vorige storm op de kust geworpen en in tweeën gebroken. Het zeewater had hier een onverklaarbare melkachtig witte schijn.
Op vrijdag 6 juni om 1 uur 30 Belgische tijd bereikte de Sea Beggar Reykjavik. Wij meerden af in de Viking haven. In deze baai zette in 1874 de Noorse ontdekkingsreiziger Ingólfur Arnarson voet aan wal. Vanwege de stoom uit de geothermische bronnen gaf hij haar de naam Reykjavik, wat rookbaai betekend.
Doodmoe, met een glas champagne in de hand wensten wij elkaar proficiat.
Bij menige flessen Kaapse Avondrust hebben Henk en ik op de zonsondergang gewacht, die maar niet kwam.
Wij hebben de hele nacht de zon gezien!
We lagen amper in bed toen wij gewekt werden door twee mooie douanebeambtes. In een rommelige boot met hier en daar kleren en lege flessen, stinkend als bokken, half gekleed, sinds dagen niet gewassen of geschoren hebben Henk en ik hen te woord gestaan.
Op de vraag ."Do you have meat, butter, eggs " konden wij hen nog fatsoenlijk antwoorden.
Maar toen ze wilden weten of wij soms arms hadden was Henk niet meer te houden. Nog lichtjes onder de invloed van het wachten op de zonsondergang en al kijkend naar het kruis van zijn broek mompelde hij "I only have one long riffle"
De dames begrepen hem maar al te goed, ze lachten magertjes en vertrokken. Een kwartier later kwam een versterkte narcotica brigade, compleet met hond, de hele boot onderste boven gooien.
Het zwaar weer hield ons vijf dagen aan de kade in IJsland. In de voormiddag werkten wij aan de boot en de namiddag was voorzien voor lichamelijke en geestelijke contemplatie.
Met de clubwimpels van de jachtclubs, van de Ryco en Maas en Roer, op zak stapten wij de wal op, op zoek naar de jachtclub van Reykjavik. We hadden pech. Wij vonden wel een gesloten clubgebouw zonder bar. Door het raam zagen wij een zaal die veel weg had van een leslokaal met glazen en veel lege flesjes water op de tafels.
Ook de bisschop Johannes Ghijsen, een goede kennis van Henk, was op vakantie naar Roermond. In de kerk vonden wij wel zijn IJslandse preek die wij vruchteloos probeerden te vertalen.
Op het terras van het Café Reykjavik brachten wij ons vloeistoftekort weer op pijl. Wij trakteerden twee IJslanders met wie wij in gesprek waren. Zij vonden het een ferme prestatie om met een boot van Belgie naar IJsland te varen. Belgie moest wel zeer veraf gelegen zijn want zij hadden er nog nooit van gehoord. Nadat wij uitlegden waar Belgie lag en dat wij met drie man reeds drie weken onderweg waren was een van hen stomverbaasd. Hij stond op en zei dat hij twee leuke vrouwen voor ons zou halen waarmee wij het wachten op mooi weer op een aangename manier konden doorbrengen. Toen wij vertelden dat het niet hoefde antwoordde hij they are not proffesionels and they do it for the hobby. Met argumenten als wij zijn gelukkig getrouwd en al vele malen grootvader zag hij van zijn goede bedoelingen af. Gelukkig hadden wij de Visa kaart mee want één pint kost op IJsland 250 frank.
In een autobus, tussen echte toeristen, bezochten wij de warmwaterbron Geysir, het Nationaal Park en Europa's grootste waterval Gullfoss. Deze waterval is volgens mij de reden dat het water in de monding van de Hvita die witte schijn had.
De bus stopte ook bij een basiliek waarvan de katholieke bisschop en zijn twee zonen vermoord werden door Deense veroveraars. Verwonderd dat de brave man kinderen had fronsten wij ons voorhoofd. De gids merkte het en legde ons uit: "IJsland ligt ver van Rome en de nachten zijn hier lang, koud en eenzaam "
Op regelmatige afstand staan over het hele eiland opeen gestapelde stenen. Deze steenmannetjes zijn merktekens en werden geplaatst voor diegenen die vroeger, te voet, in de sneeuw bij slechte zichtbaarheid over het eiland reisden.
Dat het zomer was kon je niet merken aan het weer. Het was er berekoud, soms sneeuwde het nog. Toch liepen de vrouwen met hun buiknavel bloot maar wel met oorwarmers over het hoofd.
De schade die de boot opgelopen had in de storm viel nogal mee. Het onderste gedeelte van de zwemtrap achter aan de boot was verdwenen. In de Zodiac was een grote scheur.
Bij nazicht bleek de ankerbak van de Sea Beggar vol te staan met zeewater, wat de boeg zeker met enkele tonnen onnodig verzwaarde. Deze constructiefout was de oorzaak dat de boeg abnormaal diep lag, waardoor bij zwaar weer de boot niet over, maar in de golven dook. Na het doorsnijden van een rubberen buis werd de ankerruimte normaal geloosd. Ook de verhuis van de flessen water, bier en limonade uit het vooronder naar het achterschip gaven de Sea Beggar waarlijk een sportief uiterlijk.
De buiskap werd door Willy met houten latten waterdicht gemaakt.
Voor de volgende etappe naar Julianeháb op Groenland schaften wij ons de nodige zeekaarten aan.
Via de radio had ik Kris TF3KM leren kennen. Hij was beroepsfotograaf met een winkel in Reykjavik en tevens radioamateur . Hij kwam de visu kennis en trok enkele foto's. Enkele dagen later bracht hij een foto samen met een goed uitziende météo voor vijf volgende dagen, die zijn broer hem bezorde die op de coast guard werkte.
Op woensdag 11 juli om 15.30 uur verliet de Sea Beggar Reykjavik. Enkele uren later werd de midvaarwaterboei nr.7 op 64° 11' N en 21°57' W gerond. Dit was het meest Noordelijke punt van onze reis, minder dan 120 mijl van de poolcirkel.

Van l.n.r. ik, Willy en Henk op IJsland

Van nu af aan werd de koers naar Julianeháb Zuid -West 310 graden, te varen afstand 783 zeemijlen.
Dagen hadden wij prachtig weer, wind van 3 a 4 Beaufort uit het westen.
Het was fijn aan boord. Henk gaf voor de videocamera kookles hoe een Atlantisch menu moest gemaakt worden, proeven van de bijpassende wijn inbegrepen.
Dolfijnen vergezelden ons een eindje in de richting van Cape Farvell, het meest zuidelijke punt van Groenland.
In dit stuk tussen IJsland en Groenland zagen we de meeste walvissen, maar als je de walvis ziet, is ze ook zo weer onder. En waar komt ze weer boven? Een constante zoektocht over het water is dan het gevolg. Ook hoorde en zag je het beroemde walvisfonteintje boven het water uitkomen. Het is echt heel bijzonder om dit te zien.
We konden goed slapen, zelfs een boek lezen of een brief schrijven.
Vanwege de kou, 3 tot 7 graden, werd een bad nemen uitgesteld tot de zee nog kalmer werd en de centrale verwarming weer kon branden.
Buiten enkele vissersboten, in de omgeving van IJsland, hebben wij in de Atlantische Oceaan maar één boot gezien. 's Nachts werden wij wel eens opgeroepen door een kabellegger die vroeg om onze koers 30 graden zuidelijer te verleggen om een aanvaring te vermijden.
De VHF radio was stom er kwam dagen niets uit. Ook de FM ,MG of LG van de stereo-installatie werkte niet. Enkel via de CD speler was er muziek aan boord.
Op de kaart van Groenland merkten wij een doorgang tussen de rotsen aan Cape Farvell. Via de korte golfzender vroegen wij de kustwacht om een ijsrapport van deze kortere weg. Voor de Prince Christian Sund, het kanaal dat wij ook als een toeristische attractie beschouwden was de ijsdichtheid 0,6. Vermits een middelmatig jacht al niet meer door 0,4 kan, was dit extraatje niet voor ons weggelegd. Terzelfder tijd informeerden wij naar de toestand in de havens aan de westkust. Voor Julianeháb en Nanortalik klonk het '.No problem at all to enter the harbour ". Wij stippelden een route uit op enkele mijlen van Cape Farvel het meest zuidelijke punt van Groenland. Met veel zorg werden de waypoints in de GPS en plotter ingevoerd
De Sea Beggar vorderde met een behoorlijke snelheid, niettegenstaande wij volgens de kaarten op deze plaats stroom tegen hadden. Met de North East current mee, die wij dichter bij de kust van Groenland nog moesten krijgen, zou onze snelheid nog verhogen. Wij rekenden om in de nacht van zondag op maandag in Julianeháb binnen te lopen. De radioamateurs raadden ons aan goed door te varen, zij verwittigden ons dat er voor het begin van de volgende week een zware depressie op komst was.
De stromingen op de zeekaart klopten niet want in de nacht viel de snelheid op 5 knopen, een stroom mee hebben wij praktisch niet gezien.
"René, pak het fototoestel, ik zie ijs " riep Henk plots van achter het stuur. Ik vloog met het toestel naar boven. In een fotoalbum bladerend, met een van de kleinkinderen op de knie klinkt het altijd goed "Kijk, opa heeft zelfs tussen het ijs gevaren ". Maximum ingezoomd, om het stukje, met de afmetingen van een brood, als een echte ijsberg te laten overkomen, trok ik voor het nageslacht een foto. Dit kleine brokje was slechts de voorbode van meer ijs.
Enkele uren later voeren wij tussen pakijs, gletsjerijs en ijsbergen, soms zo dicht bijeen dat wij er nauwelijks tussendoor konden. Eigenaardig was het hier tussen het ijs, windstil, mistig en koud. De ruiten bedampten aan de binnenkant en moesten constant dampvrij gemaakt worden met een geïmproviseerde trekker. Na enkele uren werden wij het gewoon om tussen het ijs te varen. In een ijsveld staat er weinig deining waardoor de omvang van de ijsberg in het rimepelloos zuiver water goed te zien is. Langzamerhand werden wij stouter en durfden op een afstand van enkele meters voorbij de ijsschotsen te varen, soms zo dicht dat we de zeehonden die er op zaten konden aanraken. Voor stukken ijs hoger dan de boot pasten we goed op want die dreigden bij het omkantelen de ruiten in te drukken. Kleinere brokken bonkten tegen de kiel en werden door de schroef fijn gemalen.
Op het ogenblik dat wij twee witte poolberen bewonderden klonk een vrouwenstem uit de luidspreker "Securité, securité, securité all ships. There is a gale warning for Cape Farvell". Een zuidwesten stormwind van 30 meter per seconde werd verwacht en zou het ijs nog dichter bijeen drukken. Nog dertig mijl naar de kust, wij konden er niet meer door, het werd te gevaarlijk.
Nadat een vliegtuig van de Coast Guard overvloog om de positie van het ijs op te nemen, rapporteerde de kustwacht dat wij Zuid moesten aanhouden om terug in open zee te geraken. Ook meldden zij ons dat Julianeháb en Nanortalik voor onbepaalde tijd gesloten waren. De wind dreef grote ijsbergen voor de ingang van beide havens.
Naar Canada was het nog ruim vier dagen varen. Met nog een brandstofreserve voor vijf dagen moest het mogelijk zijn om ergens een haven in New Foundland te bereiken.
Een gedetaileerde zeekaart van Canadese havens hadden wij niet aan boord, die zou in Groenland gekocht worden. Wel beschikten wij over de onbetrouwbare kaarten in de plotter, en over een Mc Nally Road Atlas, een redelijk goede wegenkaart van Amerika waarop heel summier coördinaten te vinden waren !
De brandstoftanks waren half leeg en gaven weinig ballast, daarom vroeg ik Willy om de vuilwatertank te vullen met zeewater.
's Anderendaags rond de middag verschenen de eerste stormvogels, een kleinere soort meeuw met een grijze streep op de vleugels. Het waren mallemokken, in het begin enkelen maar na een kwartier honderden. Zij streken neer aan de luwzijde voor de boot. Als zij te ver achterop geraakten vlogen zij opnieuw naar het voorste van de boot.
Enkele uren later joeg een wind van drieënvijftig knopen de golven hoog tegen de boeg. Huizenhoge watermassa's raasden onder de boot door. Zelfs op een laag toerental viel de Sea Beggar in de put die na de golf volgde.
Ik kon de rechte koers naar Canada niet aanhouden. De gedachte om zonder brandstof te vallen bande ik uit mijn hoofd. Proberen niet te kapseizen was de boodschap om te overleven. Ik voer met veel gas recht de golf op, om boven, draaiend naar stuurboord met wat minder gas langzaam de steile rug scheef naar beneden af te surfen. De wind huilde en rukte aan de buiskap in tentzeil. Het tentzeil was mijn enige bescherming tegen het geweld. De koperen ritssluitingen kletterden op het dek. Om bij het eventueel kapseizen geen water binnen te krijgen vroeg ik aan Henk om de boot van binnen te sluiten.
Kom ik hier nog levend uit? Loont het de moeite om een reddingsvest aan te doen? Niet aan denken. Hebben we genoeg brandstof tot Canada? Niet piekeren, vooruit. Zes uur aan een stuk, gas geven om recht de golf op te varen, gas minderen en terzelfder tijd dertig graden naar stuurboord draaien om niet in de grote put te vallen achter de golftop. Terug naar bakboord, gas geven om de volgende golf op te varen.. draaien, gas geven, draaien. Ik voelde mijn armen niet meer. Ik kon me niet voorstellen dat dit echt was en ik sliep ik wilde wakker worden. Ik had het gevoel dat dit niet echt was en dat deze slechte droom wel zou voorbijgaan en wakker worden in een warm bed. Ik dacht veel aan thuis, vrouw en kinderen, aan familie en vrienden die ons uitwuifden.
Het moest er eens van komen. Misschien te veel gas, te vroeg gedraaid en niet recht in de overslaande golf?
Met een breker tegen stuurboord ging de Sea Beggar plat over bakboord. Het water spoot mijn tent binnen. Tergend langzaam kwam de boot weer recht en verdween het water dat tot aan mijn knieën reikte. Toen Henk kwam kijken zat ik weer in het stuurmansstoeltje. "Willy is uit zijn bed gevallen en is er niet meer ingekropen. De tafel is door kajuit gevlogen en heeft een gat in de deur van de kast geslagen. Voor de rest alles O.K " was zijn rapport.
Naast het bed is veiliger dan er in, moet onze schipper gedacht hebben. Daarom maakten wij ons niet ongerust over hem.
De schrik om weer plat te gaan zat er bij ons goed in ook toen de wind wat verminderde. Om van nu af aan geconcentreerder te kunnen sturen losten Henk en ik elkaar om het uur af.
In Oostende maakten de radioamateurs zich ongerust over het slechte weer, de brandstofvoorraad en vooral dat Willy naast het bed was blijven liggen. Toen wij enkele dagen geen radioverbinding met hen konden maken waren ON5NC, Charles en zijn vriend Jan Vanoverbeke niet meer te houden. Zij telefoneerden om inlichtingen naar St. Antony Radio, op New Foundland. Het kuststation kon hem enkel melden dat zij van de Sea Beggar geen enkel bericht ontvangen hadden.
Dagen lang hadden wij harde wind tegen 6 tot 8 Beaufort en een zware zee die het leven aan boord moeilijk maakte. Dit was het gevaarlijkste stuk van de reis, want op deze breedte werd het 's nachts donker, er was werkelijk niets te zien. Op het kompas en voornamelijk op het gevoel namen wij de golven. Regelmatig werd de radar geraadpleegd voor ijsbergen. Onze voeding bestond uit zeebeschuiten met een slok plat water. Deze harde koeken werden door mijn vriend Peter, de warme bakker, bij de afvaart in Oostende als cadeau overhandigd. Een beetje minachtend werd het mooi verpakte mandje, met cellofaanpapier en rode strik, in de keuken, als versiering neergezet. Nooit heb ik gedacht dat dit, dagenlang, ons enige voedsel zouden worden.
Vermoeid van de storm kwam een meeuwtje op onze rollende boot uitrusten. Uren stond het beestje op de kajuit, been en teenoefeningen te maken.
Toen het weer iets verbeterde gaven wij onze positie door aan St. Antony Radio, die meteen vroeg naar de conditie van de wounded man aan boord. Ik vertelde dat de schipper uit bed gevallen was met zijn hoofd tegen de wand, maar voegde er onmiddellijk aan toe " dont worry the wall is o.k.". De operator schoot in een lach en beloofde ons te helpen als we de kust van Canada bereikten.
Op de grote overzichtkaart stonden geen betrouwbare gegevens van Canadese havens. Detailkaarten hadden wij niet die zouden in Julianeháb op Groenland gekocht worden.
Paul Vinck van de jachtwerf Slijkens had mij verteld, dat hij met zijn boot Agrion verschillende keren de Transat zeilde en voorbij Labrador kwam. Hopelijk had hij nog de zeekaarten van de oostkust van Canada. We hadden geluk, de Oostendse radioamateurs seinden de coördinaten door van een drietal havens op Labrador. We verkozen Mary's Harbour omdat deze haven op een overzichtkaart en van onze wegenatlas voorkwam. Ook ontvingen wij via Aimeé ON4 AIM, volgende schitterende gegevens van Paul: vaar naar 52° 29' N en 55° 38' W dan 6 mijl op 255° daarna 1 mijl op 183°, dan zul je de haven zien. Paul had de kaarten wel niet meer maar hij was onmiddellijk in zijn auto gesprongen en bij Martin in Antwerpen een kaart gekocht.
Na wat rekenwerk stelden wij vast dat wij daar konden aankomen op zaterdagmorgen. Wij hadden brandstof tot zaterdagavond.
Radio Halifax kwam door met toffe rock en rolmuziek uit de jaren vijftig. Uit volle borst heb ik, in het holst van de nacht alleen achter het stuurwiel op de brug, samen met, Bill Healy, Jerry Lee Lewis, Fats Domino zitten meebrullen en danspassen maken.
De dieptemeter was weeral een eens kluts kwijt, diepte 3.000 meter. Grillig gevormde ijsbergen, van 20 tot 30 meter hoogte, dreven zuidwaarts naar het gebied waar in 1912 de Titanic zonk.
Vrijdag middag kwam de rotskust van Canada in zicht. Volle zon, maar enorm koud. Tweemaal kregen wij via de VHF een stormwaarschuwing, Imminent SW­ 30 m/s. Binnen de tien minuten overtrok de zon en werd het mistig. Zo kregen wij op een halve dag van de kust nog twee zware maar korte stormen van 9 Beaufort te verwerken. Wat hadden wij Oceanus, Poseidon en Neptunus toch misdaan. dat zij het ons, tot het einde toe, zo moeilijk maakten?
Toch mochten wij in volle zon, met Mireille Mathieu keihard op de stereo, maar met een wind van veertig knopen Cape St. Lewis ronden.

Nog 6 mijl op 255° daarna 1 mijl op 183° en je ziet Marys Hr.

"Sea Beggar, Sea Beggar this is Shandy Pauline " klonk het plots uit de VHF. Wij werden opgeroepen door een vissersboot die ons de coördinaten gaf om Mary's Harbour aan te lopen.
Ze verschilden maar enkele meters met de gegevens van Paul Vinck. Ook vertelde de schipper dat de kustwacht hem gevraagd had om een motorboot te sturen om ons tussen de rotsen naar de haven te loodsen.
In een veilige baai, goed verscholen achter de rotsen vonden wij Mary's Harbour. Met nog enkele tientallen liters diesel in de tanks zijn wij zaterdagnamiddag binnengelopen. Na een zware tocht van tien dagen, waarin wij 1600 zeemijlen aflegden. Wij meerden af langs de Shandy Pauline. De schipper die met zijn robuuste vissersboot binnengelopen was vanwege het stormweer bezorgde ons een tarbot van 3 kg. Dezelfde avond later hebben wij de hele vis opgegeten, zonder brood of aardappelen, maar met champagne Een fles die we kregen van Bob en Colette van de Tango Mara. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo een lekkere maaltijd at !
Later ben ik aan wal gegaan en heb de grond van Labrador gekust.
We waren elk 7 kg. vermagerd.
Mary's Harbour ligt, op 52°18'N -55° 50'W, slechts tien zeemijlen van Strait of Belle Isle. Je zult het waarschijnlijk niet vinden op de kaart; wel Henly Harbour maar dit dorp mag je van de kaart vegen, want sedert de walvisvangst verboden is, woont daar niemand meer .
Mary's Harbour is niet via het wegennet met het binnenland verbonden. De bevoorrading gebeurt per boot. Eenmaal per week komt een Franse ferry uit St Pierre et Miguellon met alles wat de bevolking nodig heeft. Iedereen helpt mee lossen. Het is een klein feest.
Een zandweg verbindt een honderdtal kleurige houten huizen langs de haven. In een kwartier kun je door het dorp wandelen en zelfs iedereen begroeten door hen een hand te geven. De vierhonderdvijftig inwoners, een mengeling van Indianen en Eskimo's, leven van de visvangst. Hun vloot bestaat uit tien vissersboten. Aan de kade staat een visfabriekje waar, bij veel aanvoer, honderdzestig vrouwen werken. Er is een ziekenhuis, een kerk en een klein vliegveldje.
Om een pint te drinken en de bevolking te leren kennen, zochten wij tevergeefs naar een café. Wij vonden wel een hotel, met acht kamers, dat alleen in de winter open was.
Bij elk huis stond een Honda of Bombardier sneeuwscooter. Nu was het zomer er lag te weinig sneeuw en stonden deze onder een zeildoek Vanaf half juni tot half september werd het dorp voorzien met lopend water, dat door bovengrondse plastieken buizen naar de huizen gevoerd word. Toen wij vroegen van wat zij leefden, als de baai dichtgevroren was en de vissersboten niet konden varen antwoordde iemand " We are paid in winter by the government to play with our wife ". Ze werden waarschijnlijk goed betaald want er liepen nogal veel kinderen rond.
Het proviand kochten wij in rommelige stores. Tussen vaten olie, rollen touw, laarzen en verf vonden wij brood, aardappelen, groenten en fruit in blik. Voor enkele dollars kochten wij in het visfabriekje een grote zalm.
Het bleef maar stormen en wij verveelden ons. Men raadde ons aan BattIe Harbour te bezoeken, de weg daarheen was veilig en lag goed beschut tussen de rotsen en op onze weg naar de St. Lawrence rivier. Nu was het onbewoond, maar was voor de toeristen reeds gedeeltelijk gerestaureerd. Vroeger woonden hier walvisjagers, nu waren enkele timmermannen en schilders aan het werk om alles weer in de originele staat zetten. Ook de ketel waarin de lappen walvisvet tot olie gekookt werden stond weer klaar.
Vanwege de drassige grond zijn de huizen met een houten loopbrug met elkaar verbonden. Op de plaatsen waar de zon moeilijk bij kon lag nog sneeuw. Van op de hoge rotsen hadden de walvisjagers een goed zicht op de Atlantische Oceaan en de baai van de St. Lawrence.
Op de VHF kanaal 3 werden de ganse dag weerberichten, berichten voor zeevarenden, posities en kenmerken van ijsbergen voorgelezen. Jammer dat ze niet goed bijgehouden werden, met een stormwaarschuwing zijn wij vertrokken. Weken hadden wij kalm weer.
Het uitvaren van BattIe Harbour was niet zonder gevaar, de zee was nog onstuimig van de storm van de laatste nacht. Dicht langs de kust en tussen rotsige kleinen eilandjes, die overspoeld werden door de golven, zijn wij de Strait of Belle Isle opgevaren.
De verwarming werkte, wij konden regelmatig een stortbad nemen en Henk verwende ons met zijn kookkunst.
Het veilige gevoel, dat wij er waren, hadden wij nog niet, want op de sommige stukken was de approach to the St. Lawrence nog 320 km. breed. Prognoses over aankomsten in de volgende havens werden heel voorzichtig uitgesproken. Wij vreesden als wij te optimistisch waren dat de zeegoden het zouden horen er zich weer mee zouden bemoeien,. Een hevig onweer hebben wij tijdens een nacht wel gekregen. Het is beangstigend als ge, in het donker, alleen op de brug een onweer recht op je ziet afkomen. De bliksemschichten en donderslagen werden al maar feller en harder. Op een paar honderd meter is het voor de boot naar bakboord verdwenen.
Langzaam veranderden de Engelse plaatsnamen, Flowers Cove, Red Bay, Wood Bay in namen zoals L' Ance au Loupe, Lourdes des Blanc Sablon, Tête a la Baleine. Dat ons er aan herinnerde dat er in Quebec ook Frans gesproken werd.
Tot ver voorbij New Foundland hebben wij ijsbergen gezien, waar veel walvissen en zeehonden rond zwommen. Een vliegtuig van de Coast Guard kwam dagelijks de positie van het ijs opnemen, daarbij cirkelde het ook regelmatig rond de Sea Beggar .
Ik hoopte op een controle door de douane want in onze reispas stond nog geen enkele stempel. Hoe konden wij bewijzen dat wij in Canada geweest waren?
Het volgende doel was de haven Port Meunier op het eiland Anticosti, maar vanwege de goede météo zijn wij doorgevaren naar Sept-lIes.
Op de Mc Nally wegenkaart was Sept-lIes in grote letters gedrukt. Het lag bij een vliegveld, er was een hoofdweg en zelfs een spoorlijn. Hoe wij tussen de zeven eilandjes naar de haven moesten varen was op de kaart niet te zien. Gelukkig stak een vrachtschip ons voorbij, door het te volgen hebben wij de ingang naar de haven gemakkelijk gevonden.
Langs de rotsige hellingen van de eilandjes zijn houten terrassen gebouwd, van hierop kunnen de toeristen de walvissen in de baai bewonderen. Langs het water stonden enkele grote fabrieken. Er hing een doordringende geur van dennenbomen.
Op zondagmorgen 29 juni, om 9 uur meerden wij af in de goed beschutte jachthaven, achter een dam van basaltblokken. Op een groot grasplein, voor de jachtclub, stond een vlaggemast met opvallend veel vlaggen. Alsof er iets te vieren was.
In een grootwarenhuis, dat gelukkig op zondag open was, werd vers vlees en groenten aangekocht. Wat mij een beetje fier maakte was dat in de winkel muziek klonk van Helmut Lotti. Bij het terug aan boord gaan merkten wij dat er toch iets feestelijks gaande was in het clubgebouw. Henk en ik trokken op verkenning. 's Morgens na de H. Mis, die door alle leden van de club bijgewoond werd, had de voorzitter een toespraak gehouden. De receptie hadden wij ook gemist, maar nu was men aan het aperitief toe. Een beetje bescheiden en wat onwennig, het was ook al zo lang geleden dat wij nog een toog gezien hadden, bestelden wij twee pinten. "Labat Bleu " vertelde Henk "ook overgenomen door lnterbrew uit Leuven "
Niettegenstaande het glas 34 cl bier bevatte en een alcoholgehalte had van 6.1°, verdween het in een slok door ons keelgat. De voorzitter, die vlug begreep dat wij van een dorstige soort waren, kwam vlug met twee grote volle glazen naar ons toe gestapt. "A votre santé les Belges ". En "of wij met dat kleine bootje, over het water, helemaal uit het verre België gekomen waren ?" Toen wij met een uitgestreken gezicht, " Mais oui bien sur " antwoordden, alsof een Belg elke zondag zulke trip deed en dus de gewoonste zaak van de wereld was, draaide de voorzitter zijn hoofd naar de rest van het bestuur en knikte heel plechtig van ja. Dit was het startschot. In een oogwenk stonden alle leden van de club rond ons en bestelden grote pinten. In een Frans, waarvan vele Ryco-leden zouden van verschieten, vertelden wij onze belevenissen over de tocht van Oostende naar Canada. Aan hun opmerkingen "c 'est pas mal" en "il faut le faire " stelden wij vast dat zij het toch begrepen.
Daarna haalde ik de clubwimpel van de Ryco boven. Met de verzekering, dat onze club reeds 150 jaar oud was, werd deze wimpel aan de commodore bestuur van de Canadeese jachtclub overhandigd. Henk gaf uitleg over de koninklijke kroon die erop prijkte. Met een beweging zoals een glas bier gevuld wordt aan de tapkraan en de woorden " the King " legde hij uit dat, in de Ryco, de koning himself bij ons achter de tapkraan staat.
Toen ze hem enkele uren later, liggend op zijn rug, in het midden van het grasplein hoorden snurken zullen zij van die uitleg wel niet meer ge1oofd hebben.
In het maanlicht, om drie uur 's nachts belde ik vanuit een telefooncel naar het zonovergoten Oostende. Ik meldde dat de overtocht gelukt was en dat wij Canada zouden invaren. Enkele uren later zetten wij koers naar de monding van de St. Lawrence.
Kapiteins die deze rivier kenden hadden mij gewaarschuwd dat de St. Lawrence niet zo gemakkelijk was. Met de boot hadden wij geen problemen want zij was gebouwd voor de rivieren, wij konden ons volledig bezighouden met de navigatie.
Eerst sneden wij de bochten af door dicht langs de oevers te varen. Hier hadden minder tegenstroom en schoten wij goed op. Naarmate wij Quebec naderden werd de rivier smaller. Voor de veiligheid verkozen wij tussen de boeien te gaan varen. Hier was het dieper maar er stond ook meer stroming, waardoor de snelheid soms terugvie1 op 3 kn.
Gelukkig had Willy een goede kaart gekocht in Quebec van de laatste 20 mijl tot aan de haven van Montreal. In het donker was het moeilijk om het licht van betonning te onderscheiden tegen de duizenden knipperende lichtjes van de stad Montreal. Door de positie in de GPS te programmeren zijn wij feilloos naar de eerste boei gevaren, volledig links in de rivier, aan de Cap St Michel.
Het laatste stuk hadden wij een tegenstroom van 5 kn. Uren lagen wij naast een toren met uurwerk en een reclamebord van "Molson" bier. In de morgen van 5 juli meerden wij af in de jachthaven van "Le vieux Port de Montreal".
Tussen de grote Canadeese jachten hadden veel bekijks. In dit stadsgedeelte wandelden veel toeristen. Nadat een uitgeweken Antwerpenaar bij ons aan boord was geweest stond hij nog uren op de kaai aan de toehoorders te vertellen dat wij met het kleinste bootje van de haven helemaal vanuit België naar Montreal waren gevaren.
De trip Oostende Montreal werd gedaan in 42 dagen, waarvan we er 26 op zee waren.
We kregen 10 stormen waarvan van 9 tot 10 Beaufort. Gelukkig lagen wij met één zware storm in de haven van Reykjavik. Dat wij verrast werden door het weer aan de kust van Groenland was onze fout. Het weerbericht dat de radioamateur aan boord bracht was enkel voor het gebied rond IJsland. Je moet niet alleen een meteo hebben van de plaats vanwaar je vertrekt maar zeker van de plaats waar je naar toe wilt.
De motor draaide 622 uren. Wij hadden een verbruik van 18 liter per uur. De totaal gevaren afstand bedroeg 7.026 km. De gemiddelde snelheid was 6,1 knopen of 11,3 km/u.
Het was een zware tocht, om eerlijk te zijn te zwaar, vooral met deze boot die niet voor de oceaan geschikt was.
Wij zijn er geraakt dank zij Willy die zijn boot voor honderd procent verzorgde.
Dank zij Paul Vinck. Paul had zelf geen zeekaart van Labrador maar snorde onmiddellijk naar Antwerpen om bij Martin een goede te kopen. De vele radioamateurs uit Oostende.
Dank zij Henk die, als de toestand het toeliet, voortreffelijk eten klaarmaakte.
Wat ik vooral aan Henk apprecieerde was dat hij tijdens de zwaarste storm regelmatig op de brug kwam met een fles water en vroeg "René moet je nog iets hebben? Kan ik iets voor je doen?
Hij kon niets doen, maar hij gaf mij toch het goed gevoel en sterkte dat ik er op die momenten niet alleen voor stond

"Henk, ik ben blij dat je mee was"

René "Were Weg" van Uden
Laatst bijgewerkt op ( woensdag 26 augustus 2015 )
 
< Vorige   Volgende >

Rene van Uden